Laatst viel me iets op. Ik portretteer vooral mensen met een donkere huidskleur. Dat heb ik nooit zo bedacht. Het is zo gegroeid.
Het kwam boven toen ik terugkeek naar mijn werk. Ik stel mezelf dan een paar vragen. Wat komt steeds terug? Waar voel ik me het prettigst bij? Deze keer was het antwoord duidelijker dan ik had verwacht.
Wat me trekt
Het begint bij de techniek. Een donkere huid heeft een rijkdom aan tinten en contrasten die me blijft boeien. Het is nooit één kleur. Het zijn lagen.
Oliepastel is daarvoor mijn favoriete medium. Ik kan er precies de subtiele overgangen mee maken die ik zoek. Laag over laag, tot het klopt.
In mijn post over houtskool schreef ik over kleur weglaten tot de essentie overblijft. Hier gaat het juist om kleur. Allebei gaan ze over goed kijken.
Van toeval naar keuze
Een specialisatie die je niet kiest, is ook een specialisatie. Maar zolang je hem niet ziet, bouw je er niet bewust op verder.
Nu ik het zie, kan ik gerichter werken. Niet alleen aan de techniek. Ik wil ook begrijpen waarom het ene portret beter lukt dan het andere. Wat zit er in de portretten die werken, en wat mist in de portretten die blijven liggen?
Wat ik nu ga doen
Ik wil een serie maken van vijf tot tien portretten, allemaal in oliepastel, met dezelfde techniek en materialen. Binnen een vast kader zie je de kleine verschillen beter.
Ik wil groter werken. Een groter vel dwingt tot grotere gebaren, en dat maakt een portret losser.
Ik wil een beperkt palet proberen, twee of drie kleuren per portret. Minder keuze betekent bewuster kiezen.
En ik wil meer verhaal in mijn portretten brengen. Een voorwerp of een achtergrond die iets vertelt over wie er afgebeeld is.
Daarnaast ga ik kijken naar kunstenaars die dit ook doen, en ik experimenteer met composities en belichting.
Ontdekte jij ook pas achteraf waar je werk steeds naartoe ging? Of wist je het al voordat je begon?
Claudia




